In al die jaren die achter mij liggen zag ik geen andere mogelijkheid dan het maar wegstoppen, kleiner maken, mezelf de schuld geven. Ik zat in een donkere wolk die voelde als een verstikkende duisternis. Maar ik zag niet dat er léven was buiten die donkere wolk. Totdat er iemand was, die mij liet zien dat er hoop was. Die daarmee de deur openzette en het licht binnenliet. Langzaam ging ik zien hoe ik de leugens van de duisternis geloofde en dat deze leugens mij ook vasthouden in de duisternis.
Duisternis
Ik geloofde in de leugen dat er geen hoop was. Zoals mijn leven nu was dat is het, hiermee moest ik het doen. Ik geloofde dat het mijn schuld was. Ik was een vervelend kind en ik moest de gevolgen daarvan maar dragen. Ik geloofde dat God mij strafte om wat er gebeurd was. Alle moeilijke dingen die in mijn leven gebeurden waren een gevolg van wat er gebeurd was. Ik geloofde dat het allemaal wel meeviel wat er gebeurd was en dat ik er niet moeilijk over moest doen. Ik geloofde dat ik mijn ouders moest eren en daarom niet erover mocht spreken. Ik geloofde dat het aan mij lag dat ik er last van had en ik nam mezelf dat kwalijk.
Leugens
Toen de deur naar het licht geopend werd, kwam er langzaam ruimte om te zien dat dit leugens waren die mij in de duisternis gevangen hielden. Ik ging voorzichtig spreken en ik merkte hoe spreken de deur naar het licht nog verder openzette. Dit licht legde niet alleen alle leugens bloot, maar het liet mij ook de weg naar buiten zien. Ik zag hoe er daar anderen klaarstonden om mij de hand te reiken. Hoe daar ook Jezus is Die met innerlijke ontferming bewogen is en Die een medelijdende Hogepriester is (Hebreeën 4:15). Toen durfde ik op zoek te gaan naar de waarheid. De waarheid wat er gebeurd is. De waarheid dat het niet goed is wat er gebeurd is. De waarheid dat God wil dat we in het licht wandelen. Maar er waren nog meer leugens die mij gevangenhielden. Ik geloofde dat ik deze waarheid niet kon dragen. Ik geloofde dat ik deze waarheid niet mocht uitspreken. Ik geloofde dat door deze waarheid iedereen mij zou verlaten. Ik geloofde dat er door deze waarheid niets van mij overbleef. Ik geloofde dat mijn leven door deze waarheid geen waarde meer had. De deur naar hoop leek voor mij weer dicht te gaan.
Lessen
Maar ik moest iets gaan leren. Ik moest gaan leren om met lijdzaamheid te lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebreeën 12). Ik moest gaan leren: Want Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Door in al deze leugens te geloven, geloof ik niet dat de Heere mij door lijden wil heiligen. Dan geloof ik ook niet dat er in Hem alles te vinden is wat ik nodig heb in mijn lijden. Dan geloof ik niet dat Hij Zelf middelen heeft aangewezen in het lijden. Dan erken ik nu misschien wel dat het erg is wat er gebeurd is, maar dan denk ik dat ik het niet kan dragen. Dan ga ik steeds proberen om mijn lijden te verzachten. Dan ga ik voortdurend weg bij alle moeilijke en verdrietige gevoelens en zoek ik afleiding, ik verdoof mezelf. Dan vecht ik en houd ik iedereen op afstand. Of ik ben aan het pleasen en neem daardoor deel aan de onvruchtbare werken der duisternis (Efeze 5).
Licht
Maar ik vergeet dat er een Hogepriester is Die medelijden kan hebben met onze zwakheden, omdat Hij in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar zonder zonde. Ik vergeet dat ik met vrijmoedigheid mag naderen tot de troon van de genade, opdat ik barmhartigheid verkrijg en genade vind om geholpen te worden op het juiste tijdstip (Hebreeën 4:15). Ik vergeet ook dat de Heere Zelf hulpbronnen heeft aangewezen waardoor ik het lijden wél kan dragen. Hij geeft Zijn Woord, Zijn Geest, gebed, Zijn beloften, Zijn gemeente en ook een gezonde gemeenschap om mij heen. Dat zijn de hulpbronnen waar ik gebruik van mag maken. Ik moet gaan leren dat er in Hem alles te vinden is wat ik nodig heb in het lijden. En daarom hoef ik niet langer in de duisternis te blijven zitten. Dan is er ook voor mij een deur naar hoop. En mag ik gaan leren om daar, aan de andere kant, in het licht te gaan wandelen.
Geliefd kind van God, je hemelse Vader zal je nooit ergens naar toe leiden waar Zijn genade je niet kan dragen (Nancy DeMoss Wolgemuth)



